woensdag 15 februari 2012

Toepassingskaart 6


Voor deze opdracht heb ik drie verschillende kinderen geobserveerd waarvan ik dacht dat zij niet zo taakgericht werkten. Het kind waar ik uiteindelijk mee aan de slag ben gegaan vertoonde in mijn observaties het minst taakgericht gedrag.

Het kind waar ik mee ben gaan werken noem ik even Leerling X. Leerling X is tien jaar oud. Leerling X is een jongetje dat zijn werk altijd netjes af heeft en hij haalt hoge cijfers. Zijn cito-scores zijn prima in orde. Ik was dan ook erg verrast dat hij geen taakgericht gedrag vertoonde.
Ik vermoed dat leerling X zijn werk erg makkelijk vindt en wat meer uitdaging nodig heeft. Ik heb namelijk in mijn observatie gezien (zie figuur 1 en 2) dat leerling X veel rondloopt in de klas (27% van de tijd). Dit kan erg storend zijn voor andere leerlingen.
Leerling X liep bij mijn eerste observatie voornamelijk door de klas om bijvoorbeeld zijn punt te slijpen en sprak hierbij vaak andere leerlingen aan. Ook liep hij rond om wat te vragen aan de juf, maar ook toen liep hij in mijn ogen langzaam rond en raakte hierbij veel spullen van medeleerlingen aan (denk aan etuis, pennen, boeken).
Ik heb geobserveerd tijdens een zelfstandig werken les van mijn mentor. Ik vermoed dat wanneer zij niet ingegrepen had enkele keren, hij nog minder taakgericht gedrag had vertoond.


Categorie
Percentage
T
38%
D
15%
CM
13%
CL
7%
O
27%






Ik heb Leerling X simpelweg aangesproken op wat ik gezien had. ‘Goh Leerling X, volgens mij lukt het niet zo goed om aan je werk te gaan. Heb ik dat goed gezien?’.
Leerling X begon meteen vrolijk tegen me te kletsen dat hij zich soms een beetje verveeld en dat hij dan even bij andere kinderen gaat kijken.
We hebben samen besproken dat dit voor hem misschien wel heel gezellig is, omdat zijn werk toch netjes af is en goed gemaakt is, maar dat andere kinderen het werk wel vaak moeilijk vinden en wel een beetje stilte kunnen gebruiken. Leerling X reageerde dat hij dit ook niet zo slim vond, maar dat hij altijd al zo snel zijn werk af had en zich dan toch wel verveelde.
We hebben samen afgesproken dat hij wanneer hij klaar is een boek naar keuze mag lezen (Leerling X leest erg graag). Ik hoop dat wanneer hij iets doet wat hij graag wilt, hij wat taakgerichter bezig kan zijn.

De regel in de klas is dat wanneer een kind klaar is met de dagtaak, zij aan hun weektaak of extra taak moeten beginnen. Als dit allemaal af is mag een kind lezen in zijn of haar gewone leesboek of een kleurplaat maken. Leerling X leest liever infoboekjes, welke hij dan ook van mij mag pakken nu.

Uit mijn tweede tijdsteekproef is gebleken dat Leerling X in vergelijking met de vorige tijdsteekproef taakgerichter aan het werk gaat.
Leerling X geeft zelf aan graag een boekje te willen lezen en werkt dus harder door.

Ik ben van mening dat onze samen bedachte aanpak geholpen heeft. We hebben af en toe kort contact gehad over zijn en mijn bevindingen. Leerling X was volgens mij erg enthousiast om beter zijn best te doen.


Categorie
Percentage
T
60%
D
16%
CM
13%
CL
4%
O
7%



Toepassingskaart 5


1. Beginsituatie van de leerling
Na een tijdsteekproef ben ik erachter gekomen dat deze leerling maar 64% van de tijd bezig was met zijn taak.




Categorie
Percentage
T
64%
D
18%
CM
9%
CL
0%
O
9%



2. Kies een taak
Een taalles uit de methode.         

3. Formuleer uitspraken
Ik vermoed dat de taak voor leerling A makkelijk te maken moeten zijn. Het is namelijk een herhalingslesje. Ik wil voornamelijk dat hij zich richt op zijn tijd (hij is altijd veel langer bezig dan nodig is). Als ik hem hiernaar vraag zegt hij dat hij de vraag niet snapt. Als we samen de vraag lezen snapt hij hem wel altijd. Een doel is dus dat hij zelf goed de vragen gaat lezen. Ook werkt leerling A nogal slordig, wanneer ik hem echter vraag netjes te werken, duurt dit nog langer. Ik wil hem dus netjes laten werken, maar het moet niet te lang duren.

4 en 6. Noteer je uitspaken en inschattingen op het voorbereidingsblad

Voorbereidingsformulier
Naam student:
Sanne Langeveld                   Vakgebied: Taal
Stageschool: De Wadden                               Aantal ll’en: 19 (11)
Stagegroep: 5/6 (6)                                         Datum: 02-04-2012
Mentor: Anne Ruhl                                          Duur: Ong. 30 min.
Studiebegeleider: Marieke Deinum                Locatie: Klaslokaal

Voorbereiding
Beginsituatie van de leerlingen (kennis, vaardigheden en gedrag)
De leerlingen zijn al bekend met het (simpel) ontleden van zinnen. Zij kunnen de persoonsvorm en het onderwerp al uit de zin halen (doe-woord en wie of wat?).

Leerdoelen voor de leerlingen (productdoel en procesdoel)
Deze les is een herhalingsles en dus al bekende stof. Ik wil deze les vooral letten op leerling A. Leerling A heeft namelijk een beetje moeite met taakgericht werken, hij is altijd veel langer bezig dan zijn klasgenootjes.
Ik vermoed dat de taak voor leerling A makkelijk te maken moeten zijn. Ik wil voornamelijk dat hij zich richt op zijn tijd. Als ik hem hiernaar vraag zegt hij dat hij de vraag niet snapt. Als we samen de vraag lezen snapt hij hem wel altijd. Een doel is dus dat hij zelf goed de vragen gaat lezen. Ook werkt leerling A nogal slordig, wanneer ik hem echter vraag netjes te werken, duurt dit nog langer. Ik wil hem dus netjes laten werken, maar het moet niet te lang duren.

Ik vermoed dat leerling A ondanks de afspraken nog langer bezig is dan de tijd die we besproken hebben.

Eigen ontwikkeling
Ik wil leerling A zoveel mogelijk stimuleren in het werken aan zijn taak.

Opbouw leersituatie
Oriëntatiefase (introduceren, instrueren, informeren, materiaal)
Ik leg de les klassikaal kort uit, als het goed is zijn de kinderen al bekend met de opdrachten en kunnen zij gauw zelfstandig aan de slag.

Uitvoeringsfase
Voorafgaand aan de les heb ik met leerling A een blad gemaakt om hem te laten werken aan zijn taak. Ik loop nu even naar hem toe om te kijken hoeveel tijd hij nodig denkt de hebben voor zijn taak. Ik weet zeker dat het hem zou moeten kunnen lukken binnen 10 minuten. Ik vermoed alleen dat hij iets langer de tijd gaat nemen.

Leerling A (en de rest van de klas) gaan nu zelfstandig aan de slag.

Afsluitingsfase
Met de klas bespreken wij de opdrachten, hoe ging het? Zijn er veel kinderen die het goed gemaakt hebben? Met leerling A spreek ik later zelf nog even, samen bekijken wij het blad. Leerling A evalueert nu zelf (met uitleg aan mij) door middel van smileys.



5. Maak een inschatting van de beoordelingscriteria
Ik vermoed dat leerling A langer de tijd neemt voor zijn opdracht dan afgesproken. Ik geef hem 10 minuten de tijd hiervoor. Ik wil graag dat hij de opdrachten zelfstandig maakt, zonder te veel (al duidelijke) vragen aan mij te stellen. Ik wil graag dat het werk niet meer dan drie fouten bevat (maar dat zal wel goed komen denk ik).

7. Geef instructie aan de leerling
Wij hebben samen naar het werkblad gekeken dat ik gemaakt heb. Ik heb hem verteld dat het mij opviel dat het niet zo vaak lukte om goed door te werken. Ik vroeg hem of dit zo was of dat ik dat misschien verkeerd had ingeschat. Hij stemde er mee in, hij had het zelf ook door.

8 en 9. Maak afspraken met de leerling en laat de leerling deze invullen op het werkblad
Samen hebben wij het onderstaande werkblad ingevuld.





10. Ga na of de leerling taakgericht werkt
Het wilde niet helemaal lukken bij de taalles. Leerling A was wel heel zelfstandig aan het werk, maar draaide zich veel om en nam iets meer dan een kwartier de tijd voor de opdracht.

11. Bepaal samen met de leerling of aan de afgesproken beoordelingscriteria is voldaan



12. Geef de leerling gelegenheid zijn succes of falen te verklaren
Leerling A liet weinig los, het lukte gewoon niet volgens hem. De leerlingen achter hem zaten te kletsen, hij wilde mee luisteren. Leerling A vroeg hierna om een nieuw blad om te bewijzen dat hij het kon. Hierna hebben wij diezelfde dag nog twee bladen gebruikt en het ging steeds beter.

Toepassingskaart 4



Observatie toevallige gesprekken
De toevallige gesprekken die ik geobserveerd heb, waren niet al te zwaar beladen, op één na.
Hierin werd geklaagd over een andere leerling. Mijn mentor ging even apart staan met moeder en praatte veel zachter dan normaal. Mijn mentor gaf aan hier wat aan te gaan doen en moeder op de hoogte te houden.
Hierna is mijn mentor hierover ook een gesprek aangegaan met de andere leerling.

Ik kan niet zeggen wat er precies gebeurd is, maar het was in mijn ogen best een nare situatie. Ik had misschien nog even met moeder gaan praten na schooltijd, in een leeg lokaal. De kinderen waren toch in de buurt (was op het schoolplein) en hebben misschien (niet waarschijnlijk) iets opgevangen.

Het tweede gesprek dat ik geobserveerd ging over een knutselwerkje georganiseerd door de ouders. De ouder gaf aan een beetje moeite te hebben met de benodigdheden te verzamelen. Mijn mentor kwam met ideeën voor winkels en ze kwam met andere alternatieven. Het gesprek heeft zeker een kwartier geduurd en liep over in een persoonlijk gesprek. Ik ben van mening dat dit gesprek heel leuk en productief verliep. De vraag van de ouder was beantwoord, maar niet snel. Mijn mentor nam echt de tijd voor deze ouder. Zelf zou ik misschien wat korter van stof geweest, maar ik weet niet of dit beter geweest zou zijn. Ik denk het niet.

Het laatste gesprek dat ik geobserveerd heb ging over het nieuwe lokaal. Een ouder kwam een praatje maken over dat het er zo leuk uitzag. Het gesprek liep weer over in een persoonlijk gesprek. Het gesprek heeft ongeveer vijf minuten geduurd. Mijn mentor is in mijn ogen persoonlijk erg betrokken bij de ouders, iets waar ik veel respect voor heb, je moet het maar onthouden allemaal. Het is voor mij ook wel een streven om met ouders niet een ‘juf-ouder’ gesprek te hebben, maar ook een soort vriendschappelijk gesprek te hebben. In deze gesprekken kwam veel interesse naar voren voor kind en familie, maar niet te veel (geen vragen als: ‘Goh, spreek jij je ex nog wel eens?’ maar meer vragen als: ‘Kan je jongste dochter al lopen? Ik zag het haar vorige week proberen, zo lief’.)

Observatie tien-minutengesprekken
Tijdens de tien-minutengesprekken heb ik drie ouders ontmoet. Deze ouders leken in mijn ogen erg op de kinderen. Hun manier van praten, stem, handgebaren en meer kwamen sterk overeen met hun kinderen. Ik vond dit erg leuk om mee te maken, in korte gesprekjes zie ik dit minder snel.

Tijdens één van de gesprekjes stond er een kind uit een andere groep voor de deur. Mijn mentor excuseerde zich, stond op en vroeg het kind te vertrekken. De aanwezige moeder gaf aan dat zij geen last had gehad van het kind. Mijn mentor vertelde dat het toch een privégesprek was en ook al werd er niets geks gezegd, dat zij vond dat dit toch gerespecteerd moest worden. De moeder ging hier in mee.
Mijn mening is dat mijn mentor goed is ingesprongen, deze moeder vond het misschien niet erg, maar een andere vader of moeder misschien wel. Misschien was het wel teruggekomen bij het kind, had ook niet leuk geweest.

Mijn mentor vertelde aan de hand van cito-uitslagen hoe het ging met het kind. Ook vertelde zij of dit overeenkwam met het beeld wat zij had van elk kind. Ouders zagen dit meestal ook. Ik vroeg dan ook of ouders en zij het wel eens oneens waren. Zij vertelde dat dit vrijwel nooit voorkwam.

Mijn mentor deed zeer haar best om het gesprek soepel te laten verlopen. Er werd niet alleen gesproken over het kind, maar bijvoorbeeld ook over broertjes en zusjes.
Mijn mentor probeerde zich in mijn ogen te verplaatsen in de ouders. Toen een vervelende thuissituatie werd aangehaald, werd hier kort op ingegaan, maar niet te diep.

Toepassingskaart 3


Op mijn stageschool wordt er gewerkt met groepsplannen en individuele handelingsplannen. De individuele handelingsplannen worden echter niet zo vaak gebruikt.

De groepsplannen op mijn stageschool zijn gebaseerd op de 1zorg-route. Ze zijn ingedeeld in plusgroepen, basisgroepen en mingroepen.
Bovenaan de pagina staan de groep, de dossiernummers van de leerlingen, de naam van de leerkracht, datum, het vakgebied, de periode en de materialen.
Hieronder volgen de groepen met daarbij de namen van de leerlingen per groep. Per groep staat er een doel, de inhoud (hierin staat de methode vast), de onderwijsbehoefte van het groepje, de organisatie en een evaluatie (smart).
Ook is er nog een ruimte vrij voor een leerlingen (of meer) met speciale behoeften.

Het individuele handelingsplan is (uiteraard) veel persoonlijker. Hierin staan specifieke gegevens over een leerling zoals de naam, geboortedatum, leeftijd, didactische leeftijd, datum, groep, leerkracht, nummer van het handelingsplan, een korte probleemstelling, doelstelling, middelen, organisatie, het werk dat door het nieuwe werk vervangen wordt, evaluatie na 6-8 weken, wie het werk na kijkt en de toetsresultaten. Ook een eventueel vervolg wordt beschreven. De ouders moeten ten alle tijden toestemming geven in de vorm van een handtekening onder aan het handelingsplan.

De voornaamste verschillen die ik zie is dat het individuele handelingsplan heel specifiek is, het groepsplan wat minder. Ook is het groepsplan meer gericht op het algemene werk (methode) en het individuele handelingsplan laat meer ruimte vrij voor eigen inbreng van de leerkracht. Ook wordt er in het individuele handelingsplan gedoeld op meerdere betrokkenen, zo moeten de ouders toestemming geven en kan een andere docent ook het werk nakijken of ergens bij helpen.
In het groepsplan wordt minder gesproken over andere betrokkenen.













6.    Format Groepsplan  vakgebied  deel 1 of 2


Groep:       
Leerling-dossier: 20.. – 20..
Leerkracht:
Datum:

Vakgebied:
Methode/materialen:
Periode: september - januari



Namen
Doel
Wat wil ik bereiken?


Inhoud
(wat bied je aan?)
methode
Onderwijsbehoefte
Aanpak/methodiek (hoe bied je het aan)
Organisatie
Wie, waar wanneer?
Evaluatie
Smart:

Plusgroep
(namen)


Kinderen met een
I score werken vanuit het routeboekje en krijgen een verdiepingsopdracht

Instructie nodig die……..
Opdrachten of materialen nodig die…….
Leeractiviteiten nodig die…
Feedback nodig die….
Groepsgenoten nodig die…….
Een leraar nodig die……… om het gestelde doel te behalen.

Zelfstandig werk

Toets noemen, tussentijdse bijstelling, is doel gehaald (90% of 100 % norm???) dan vervolgstappen noemen. Effect van de aanpak.
Basisgroep
(namen)

De  leerdoelen  voor je groep uit de methode
Kinderen met een II-III score maken de basisstof. wanneer de stof klaar is extra verwerking.

















Instructiegroep
(namen)










Kinderen met een IV-V score krijgen verlengde instructie. Aanpassing instructie/leerstof.


Instructietafel

Leerling   (-s-)
(naam)










7.    Format individueel handelingsplan



Individueel Handelingsplan


Naam leerling:

Datum:
Geboortedatum:

Groep:
Leeftijd:

Leerkracht:
Didactische leeftijd:

Nr. van handelingsplan:
Probleemstelling (korte omschrijving):


Doelstelling:


Middelen (programma / materiaal):


Organisatie (wie, wat, waar, tijd):


Dit werk wordt gedaan in plaats van:


Werk wordt nagekeken door:
Evaluatie (in ieder geval na 6-8 weken)
Toets:


Uitslag:


Eventueel vervolg:










Met ouders besproken d.d.:



Hierbij geven de ouders toestemming voor het bieden van extra hulp in de vorm van handelingsplannen.









Handtekening ouders:


Toepassingskaart 2


Interview met mijn mentor
V: Ben je tevreden over de sfeer in je groep?
A: Ja, ik ben heel erg tevreden over de sfeer in mijn groep.

 V: Waarop baseer je dit oordeel?
A: Ik zie dat de kinderen met plezier naar school gaan. Ik heb in andere klassen gezien dat er kinderen soms buiten de groep vallen en dat is hier absoluut niet, ondanks dat het twee groepen zijn. Allebei de groepen kunnen leuk samen zijn, maar ook vijf is leuk samen en zes is leuk samen.

V: Hoe houd je de sfeer in stand?
A: Door heel erg veel met elkaar te praten. Maar ook door trefwoord, onze methode.
Heel veel praten over wat er in de pauze gebeurd, wat is er gebeurd? Kan je dat nog beter doen?

V: Welke kinderen kunnen op den duur een negatieve sfeer in de groep krijgen?
A: Dat zou leerling X kunnen zijn, maar als er wat gebeurd negeert de rest hem gewoon.

V: Met welke kinderen heb jij een goede relatie?
A: Ik hoop met alle kinderen, want dat is eigenlijk wel mijn taak als leerkracht.

V: Met welke kinderen laat de relatie te wensen over?
A: Eigenlijk met geen enkel kind.

V: Welke kinderen gaan plezierig met elkaar om?
A: Ze gaan allemaal plezierig met elkaar om. Er zijn kinderen die voorheen wel buiten de groep vielen, maar die worden steeds meer in de groep opgenomen. Het gaat gewoon heel gezellig met elkaar.

V: Welke kinderen hebben voortdurend of vaak problemen met elkaar?
A: Geen een…

V: Is er sprake van een duidelijke groepsvorming in de groep en zo ja, hoe is de relatie tussen die groepen?
A: Er is misschien wel een groepsvorming, maar daar houden zij zich niet allemaal aan vast. Zo voetballen de jongens vaak samen, maar dat houdt niet in dat de meisjes niet mee mogen doen.

V: Welke kinderen zijn duidelijk eenlingen in de groep? Hoe proberen zij in de groep te komen?
A: Leerling A is duidelijk een eenling en leerling B. Leerling C is niet echt een eenling, maar die praat gewoon niet zo veel. Zo speelt hij erg vaak met leerling A.

V: Met welke omgangsregels heeft de groep geen moeite?
A: Volgens mij hebben ze geen moeite met omgangsregels…

V: Nee hè? Want dat is ook de volgende vraag, met welke regels wel?
A: Ik heb heel erg het gevoel dat ze heel goed weten wat de regels zijn en dat ze zich eraan moeten houden. En als dat een keer niet lukt, wordt er ook uitgelegd waarom die regel er is en waarom die zo belangrijk is. Ik denk dat dat heel belangrijk is voor kinderen, als ze maar weten waarom accepteren ze het.

V: Hoe is de groep als jij er niet bent?
A: Nou, dat weet jij! Dat weet ik niet hoe ze zijn als ik er niet ben. Het is wel logisch als kinderen wat meer vrijheid voelen als de juf weg is, maar ik kan wel rustig weg gaan.

V: Hoe gaat de groep met elkaar om in de pauze?
A: Jongens bij elkaar en meisjes bij elkaar. En in groep 5 zie je heel erg dat ze met de andere groep 5 spelen. Daarom hebben de groepen 5 en groepen 6 ook samen pauze.

V: Hoeveel tijd besteed jij ongeveer in één week aan sociaal-emotionele activiteiten?
A: Geen idee… Zoveel als nodig is. Sowieso een kwartier tref per dag, maar elke dag wel veel meer dan een kwartier. Je moet namelijk ook heel erg inspringen op dingen die in de pauze gebeurd zijn, of iets wat kinderen thuis hebben meegemaakt.

V: Hoeveel kinderen zitten er in de klas?
A: Negentien, elf in  groep 6 en acht in groep 5.

V: Hoe is het algemene ontwikkelingsniveau in de groep?
A:  Redelijk. Groep 5 is prima en in groep 6 zitten er wel veel verschillen tussen.

V: Hoeveel kinderen presteren beduidend boven dat niveau?
A: Vijf ongeveer.

V: Hoeveel kinderen presteren beduidend boven dat niveau?
A: Twee ongeveer. De rest van de klas scoort de ene wel hoog op het ene, maar weer laag op het andere. Niet goed in te schatten dus.

V: Hoe is daarbij de verhouding tussen de prestaties bij lezen, spelling en rekenen?
A: Rekenen doen beide groepen goed, spelling heeft groep 6 laatst niet zo goed gedaan met de Cito en begrijpend lezen is gewoon heel moeilijk. Veel allochtone kinderen hebben veel moeite met het begrijpend lezen. De score op de Cito was niet eens zo heel slecht. Maar ik doe dan ook veel extra om dit niveau omhoog te krijgen.

V: Zijn de kinderen in staat tot zelfstandig werken?
A: Ja. Het is wel grappig om te zien dat groep 5 veel zelfstandiger is dan groep 6.

V: Ben jij in staat de zwakkere leerlingen tijdens het zelfstandig werken adequaat te begeleiden?
A: Wij werken met de 1-Zorgroute, dat betekend één groepshandelingsplan per les. Hier dus twee, omdat het twee groepen zijn. De kinderen zijn opgedeeld in groepjes, de zwakkere rekengroepen zitten vooraan, omdat zij dan beter op kunnen letten en je ook makkelijker naar ze toe kan lopen voor hulp (kinderen zetten hun tafels in die groepen wanneer zij gaan rekenen). Eigenlijk werkt dit heel goed, maar ik zou wel wat meer hulp van buitenaf willen. Sommige kinderen zouden bijvoorbeeld wel wat extra hulp kunnen gebruiken. De remedial teacher zit namelijk vol.

V: Zijn er al kinderen in de groep die erg snel zijn en erg goed presteren opgevangen?
A: Ze werken al met de weektaak. Kinderen die daar te snel mee klaar zijn probeer ik af te remmen, omdat ik dan vaak wel zie dat de kwaliteit niet hoog genoeg is.
Kinderen die het niet af hebben krijgen dit mee naar huis.

V: Welke leerlingen in de groep hebben specifieke behoeften?
A: Leerling X op gedrag, Leerling Z ook. Leerling Z heeft altijd heel veel extra aandacht nodig. Als je niet komt hebben ze allebei ook vaak overal pijn, tandpijn, neuspijn dat soort dingen.
Leerling C op rekengebied en leerling A en leerling B op sociaal-emotioneel gebied/

V: Op welke leerstof gebieden hebben die kinderen behoefte aan een specifieke aanpak?
A: Voornamelijk leerling C op rekenen, maar leerling Y is vaak ver vooruit, die heeft extra uitdaging nodig.

V: Is er bij sommige leerlingen een duidelijk verschil in klassenprestaties en de scores op de screeningsonderzoeken?
A: Ja, dat is zeker zo. Dat is vaak bij rekenen. Dat is omdat de Cito heel anders is dan onze methode. Wij proberen wel zoveel mogelijk extra informatie aan te bieden, maar daar is helaas niet altijd tijd voor.

Groep 6 heeft bijvoorbeeld laatst op de Cito vragen gekregen over geld, met tien centjes en vijf cent, maar dit hebben zij helemaal nog niet in de methode behandeld (en onze klas loopt voor met de methode op de andere klas).

V: Zijn de zwakkere leerlingen nog gemakkelijk door jou te motiveren?
A: Ze zijn altijd te motiveren.

V: Hoe ervaren die leerlingen hun leerproblemen?
A: Ik heb het idee dat ze het niet zo door hebben. Ze werken wel in instructiegroepen, basisgroepen en plusgroepen, maar ik probeer hier niet te veel nadruk op te leggen. Ik zeg ze ook altijd: ‘De één is goed in het één, de ander weer in wat anders’.

V: Heb je voldoende en adequate hulpmaterialen voor handen om deze kinderen goed te kunnen helpen?
A: Ja, ik werk heel erg veel met maatwerk, voor rekenen. Hierin staan de breuken, geldsommen, minsommen en meer. Net zoals estafette, die hebben ze er pas bij gekregen voor lezen, kinderen leren toch veel nieuwe woorden.

V: Welke aanpak heb je voor leerlingen met gedrags/werkhoudingsproblemen?
A: Kinderen komen er vaak vanzelf achter dat wanneer zij niet goed werken, zij hun weektaak mee naar huis krijgen. En dat werkt wel. Behalve bij leerling H. Zij werkt in de klas heel langzaam, maar thuis dus ook. Maar ja, ze scoort wel altijd hoog.

V: Ben je tevreden over die aanpak?
A: Ja, ik ben daar wel tevreden over.

V: Hoe ervaren de ouders van leerlingen met specifieke behoeften de problemen van hun kind op school?
A: Meestal snappen zij dat heel goed. Ik heb op deze school nog nooit ouders gehad die mij niet snapten. Zij nemen heel veel van mij aan als leerkracht.

V: Wie van die kinderen ervaar je als erg zwaar?
A: Leerling C vooral (hij is redelijk nieuw in de klas en heeft rekenproblemen), omdat hij heel veel extra instructie nodig heeft. Hij krijgt misschien niet genoeg hulp, hoewel ik dat wel altijd probeer. Ik kan namelijk niet bij iedereen tegelijk zijn.


V: Is er voor die leerling een adequaat handelingsplan voor in de klas aanwezig?
A: Nee, wij hebben een groepshandelingsplan, waarbij hij in de instructiegroep zit. Zijn basis zit er niet goed in, die had al gelegd moeten zijn in groep 4, wat dus niet gebeurd is. Ondanks dat hij niet van Nederlandse afkomst is, is zijn taalvaardigheid wel erg hoog, alleen rekenen wil niet lukken.

V: Komt jouw lesgeven of lesplezier door die leerling onder druk te staan?
A: Nee.

V: Ervaar je het aantal leerlingen met specifieke behoeften in de klas als te zwaar om adequaat les te geven?
A: Nee.

V: Vind je wel dat die kinderen op jouw school of in jouw klas thuis horen?
A: Ja.

V: Welke taal/rol heeft de IB-er hier op school?
A: De Ib-er werkt ondersteunend.

V: Voel je je als groepsleerkracht voldoende ondersteund?
A: Ja, dat wel. Alleen met leerling C zou ik wel extra hulp willen. Maar hij is op het laatste moment in de klas gekomen, dus voor hem was geen ruimte meer bij de remedial teacher.